Het gesprek* over Feed the hungry region

propositie3-largeRoelof Westerhof (Local for local initiatief), Frank Supllie (EPRIC), Gerard Titulaer (Landwaard/Oregional) en Bernadette Janssen (provincie Gelderland) stelden op 2 december voor om deze propositie ‘Local for local’ te noemen. Dat sluit beter aan op internationale trends, ‘local’ heeft wereldwijd de toekomst! Bovendien is ‘local’ meer dan food alleen. En dat komt goed uit, want Tuinbouwcluster Lingewaard produceert groente, fruit, bloemen, potplanten en wellicht zelfs energie. Verdere verbreding en vernieuwing van dit palet is een must, al was het alleen maar om weer een goede prijs voor je product te krijgen.

Edeka is de grootste supermarktketen van Duitsland. Zij verpacht elk jaar een compleet schap aan agrariërs uit de regio waar de desbetreffende winkel staat. Het mes snijdt aan twee kanten. Telers worden in staat gesteld om hun producten in een professionele omgeving te presenteren, rechtstreeks aan consumenten. Die blijken best bereid om een redelijke prijs voor de paprika of komkommer van ‘hun’ boeren te betalen. Omdat de tussenhandel buitenspel staat, houdt de ondernemer bijna tweemaal zoveel aan zijn product over. De supermarkt haalt zijn basiskosten uit de pacht en profiteert verder vooral van de traffic die regionale producten genereren. Want ‘local’ is hot, het spreekt een veel bredere doelgroep aan dan het biologische assortiment. Een trend die zich ook in ons land aftekent.

We hebben het met ‘local for local’ dus niet over een paar potjes zelfgemaakte jam langs de kant van de weg. Het is een sector die elk jaar professioneler wordt en aan slagkracht wint. Dat kan verschillende vormen aannemen.

Een regionaal merk

Duitsers, Fransen en Italianen zijn daar verder in dan wij. Zij bekronen hoogwaardige producten uit de regio met een klinkende naam = beleving = hogere prijs. Nederlanders daarentegen leveren topkwaliteit die als bulk in de markt wordt gezet. Dat moet anders, om te beginnen in onze regio. In het segment ‘sinds 1756’ is het dringen. Geef het predikaat ‘Lingezegen’ daarom juist aan innovatieve tuinbouwproducten. Online én offline experience horen daarbij, bijvoorbeeld in de vorm van een bezoekerscentrum annex markthal.

Overigens is niet iedereen blij met het merk ‘Lingezegen’: te provinciaal. Maar wat dan wel, want ook namen als ‘Bergerden’, ‘Agropark’, ‘Lingewaard’, ‘Greenport’, ‘Betuwe’ of ‘KAN’ worden als te nietszeggend, bureacratisch of algemeen weggezet.

Regionaal netwerk

De economie van Knooppunt Arnhem Nijmegen is in hoge mate geïnstitutionaliseerd; verreweg de meeste mensen werken bij een grote instelling in de zorg, onderwijs, research of andere semi-publieke instelling. Daarnaast telt de regio een aantal echte publiekstrekkers als Burgers Zoo en Openluchtmuseum. Landwaard/Oregional sluit met een aantal van hen meerjarige business to business deals af. Kleinschalig? Kijk dan naar Toronto, waar alle overheidsinstellingen hun voedsel uit de gelijknamige greenbelt betrekken.

Samenwerkingsmodel

De ouderwetse tuinder ziet zijn buurman als concurrent. Zo kan het gebeuren dat Engelse en Duitse bedrijven de teelt van EPRIC’s witte en gele aardbeiplanten opschalen. Waarom gebeurt dat niet in Lingewaard? Een omslag is nodig, al was het alleen maar om kosten van proces- en productinnovatie & marketing te delen. Maar er ligt meer voordeel in het verschiet. Succesvolle samenwerkingsmodellen zijn een geweldig exportproduct naar regio’s in en buiten Europa die weer zelfvoorzienend willen worden.

*Dit is het mini-report van een van de vier gesprekken die op 2 december plaatsvonden plus een aantal 1-op-1 ontmoetingen. Over de proposities The most competitive place en Circular economy hebben wij reeds op dit blog verslag gedaan. De gespreksresultaten van The valley’s production lab volgen nog. Ook die zijn de moeite waard!