Het gesprek* over The most competitive place

propositie1-large

Jan van der Harg (Van der Harg van Winden), Theo Jan van Ewijk (kweker & KAN-plant), Emiel Wubben (WUR), Harry Vreman (LTO Noord Projecten) en Jan Buurman (Lent beheer bv) hebben zich op 2 december in de propositie The most competitive place verdiept. Zij blikten even terug, maar vooral ook vooruit. Want dat regionale warmtenet komt er wat hun betreft. Dat alleen is echter niet voldoende. Tuinbouwcluster Lingewaard moet veel assertiever de Nederlandse en Duitse markt bewerken en er is behoefte aan jong ondernemerstalent.

‘Bergerden beats Westland’. 10 jaar geleden was dat de ambitie en het bleef niet bij woorden. Het tuinbouwcluster beschikt over ijzersterke troeven, zoals de strategische ligging tussen Randstad en Duitsland. Dat concurrentievoordeel wordt binnenkort nog groter, omdat de A15 definitief wordt doorgetrokken. Ondernemers die de overstap van elders hebben gemaakt prijzen het prettige woon- en leefklimaat en de ruimte ‘om je ding te doen’, mede dankzij een meedenkende en -werkende overheid. Samen investeerden zij in een collectieve energie- en gietwatervoorziening die emmisievrij telen mogelijk maakt. De electriciteitsprijs zou stijgen, die van warmte dalen. Het omgekeerde bleek waar, zodat het coöperatieve model onder druk is komen te staan. Dat heeft het imago van het gebied geen goed gedaan. En hoewel het probleem voor bestaande ondernemingen is opgelost, ligt er voor potentiële nieuwkomers nog geen concurrerend (energie)aanbod klaar. Een aanbod ‘op maat’ dat past bij de beoogde teelt.

De oplossing ligt voor de hand: aansluiting op het regionale warmtenet. Dat brengt echter hoge investeringen met zich mee. De overheid zou hier een deel van de onrendabele top voor haar rekening moeten nemen. Dat valt goed uit te leggen. Draait het tuinbouwcluster op restwarmte, dan levert dat een grote bijdrage aan de regionale economie én aan de CO2-reductie zoals die door Arnhem, Nijmegen en andere gemeenten is afgesproken.

Duurzame energie tegen een scherpe prijs is een basisvoorwaarde. Maar om werkelijk competitief te zijn, is er tegenwoordig meer nodig. ABNAMRO constateert dat er geen overcapaciteit in de markt zit, toch staan de prijzen onder druk. Hoe komt dat? De handelsstructuur is het afgelopen decennium sterk veranderd. Voorheen ging het spel van vraag en aanbod via de veiling, waar de prijs min of meer transparant tot stand kwam. Tegenwoordig maken de grootste bedrijven in Nederland rechtstreeks afspraken met handelaars en retailers. Middelgrote en kleine bedrijven hebben maar te volgen en worden niet zelden tegen elkaar uitgespeeld. Daar komt bij dat de ‘eigen’ veiling in Bemmel verdween en dat Lingewaardse paprika’s eerst naar Barendrecht gaan, om vervolgens over dezelfde A15 richting Duitsland te worden vervoerd. De gunstige ligging ten opzichte van de Duitse buren voelt op die manier nog niet echt als een voordeel.

Hier moet de oplossing vooral van ondernemers komen: samenwerken! KANplant brengt dat al in de praktijk. Wil een klant een groot volume van eenzelfde product, dan leveren zij dat. Oòk als dat van verschillende telers moet komen. Wil die klant een samengesteld volume van verschillende producten, dan gaan de aangesloten telers om tafel om te kijken wie wat kan leveren. KANplant bedient zo een breder palet aan klanten en vermindert de afhankelijkheid van individuele handelaren en retailers. Voorwaarde is dan wel dat de tuinders elkaar meer als collega en minder als concurrent gaan zien. Dat wederzijds vertrouwen betaalt zich dubbel en dwars terug; de prijzen van amaryllis, fresia’s en potplanten hebben zich de afgelopen periode relatief goed gehouden in vergelijking met bijvoorbeeld glasgroente.

KANplant is een voorbeeld van ‘kansen grijpen’. Daarmee is de koek niet op; er zijn nog veel meer (product)innovaties die potentieel een gunstig effect op de bedrijfsvoering en het inkomen van de tuinder kunnen hebben. Toch grijpt maar een kleine groep (schatting: 15%) die mogelijkheden aan en vaak met succes. Waarom blijft die groep zo klein? Daarvoor zijn verschillende verklaringen. Een flink aantal tuinders heeft geen bedrijfsopvolger; zij mijden het innovatieve avontuur met dito investeringen. Een ander deel van de beroepsgroep staat het water aan de lippen; zij hebben niet ‘de ruimte in het hoofd’ om vooruit te kijken. De grootste groep (schatting: 45%) heeft wél de mogelijkheid om vooruit te kijken, maar is in de eerste plaats een vakman. Met andere aspecten van het ondernemerschap, zoals nieuwe producten, moderne marketing en alternatieve financieringsmodellen, hebben zij minder affiniteit.

De sector schreeuwt om jong ondernemerstalent op minimaal MBO en in toenemende mate HBO niveau. Voorheen was agrarisch familiekapitaal een voorwaarde voor toetreding, maar die afhankelijkheid wordt allengs minder. Net als in de kantorenmarkt en logistieke sector, zijn ‘vastgoed’ en ‘bedrijf’ in toenemende mate gesplitst. De start-up betaalt in dat geval huur voor het 1, 5 of 10 jarig gebruik van een kas met bijbehorende diensten. Maar er zijn ook andere combinaties mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het winning team van een vakbekwame teler met een jonge hond die nieuwe inzichten en competenties inbrengt, dé manier om de leidende positie in de internationale tuinbouwwereld te heroveren.

*Dit is het mini-report van een van de vier gesprekken die op 2 december plaatsvonden plus een aantal 1-op-1 ontmoetingen. Benieuwd naar de resultaten van de gesprekken over Circular economy, Feed the hungry region & The valley’s production lab? Hou dan dit blog in de gaten!